Een gat in de muur

In deze strafzaak neem ik u mee naar een nagelstudio van de vriendin van verdachte. Verdachte was deze nagelstudio binnengegaan, niet om zijn nagels te laten bewerken, maar om aan zijn vriendin het telefoonnummer van iemand te vragen. Zoals wel vaker in relaties ontstond er vanuit het niets een geagiteerd sfeertje van onbegrip, ergernis en verwijten over en weer. Zijn vriendin wilde het nummer niet, althans niet snel genoeg in de ogen van verdachte, geven. Verdachte werd daarop boos. Een medewerkster van de nagelstudio maakte vervolgens aanstalten om de politie erbij te halen.

Dat maakte verdachte alleen maar bozer. Hij pakte het eerste het beste voorwerp dat hij in het vizier kreeg, in dit geval een draadloze telefoon uit de studio, en gooide die in de richting van een Boeddha-beeldje verderop in de nagelstudio. De worp trof echter geen doel. Het Boeddha-beeldje bleef onaangetast. De telefoon raakte wel de wand achter het beeldje, waardoor een gat van zo’n vijf centimeter in de muur was ontstaan. De gealarmeerde politie kwam ter plaatse en nam verdachte mee naar het bureau.

Eenmaal bij de politierechter wijzigde de officier van justitie de tenlastelegging. Aanvankelijk stond hierin vermeld dat verdachte zich zou hebben schuldig gemaakt aan vernieling van een telefoon. Ook de officier had er klaarblijkelijk geen seconde bij stilgestaan, dat het gooien met een telefoon niet de telefoon maar de muur beschadigt. De verdediging vroeg de rechter zijn cliënt vrij te spreken, nu van opzet op vernieling van de muur geen sprake was. Dat had verdachte ook met zoveel woorden tegenover de politie verklaard. Zijn opzet was gericht op het vermaledijde Boeddha-beeldje. Maar dat werd geen haar gekrenkt.

Politierechter, noch gerechtshof maakte veel woorden vuil aan de toedracht van het incident. Hoewel de verdediging geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, kon ontlenen aan de handelwijze van verdachte, stelde het hof in zijn arrest droog vast, dat verdachte “door een “hard voorwerp” in de richting van het Boeddha-beeldje te werpen, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de zich in de nabijheid daarvan bevindende muur zou worden beschadigd”.

Daar wringt de schoen. De vraag hierbij is gewettigd of verdachte door met een telefoon in de richting van een beeldje te gooien, mocht verwachten dat hij daarbij de muur erachter zou beschadigen. Als raadsman van cliënt heb ik voor de beantwoording hiervan de visie gevraagd van de Hoge Raad middels een cassatieappèl. Echter, zoals wel vaker bij het hoogste rechterlijk college in dit land, weigerde de Raad deze principiële vraag te beantwoorden en volstond het met de bezweringsformule “dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden”, onder verwijzing naar artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Ruut Verhoeven

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *