Misdaad loont!

Ik wil u in mijn weblog dit keer meenemen naar een zaak van een cliënt, die sneefde bij het gerechtshof. Het hof is de instantie die het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie kritisch volgt. Wanneer het OM zaken seponeert, kan het hof justitie alsnog opdracht geven vervolging tegen verdachte(n) op te pakken.

Zoals deze week het geval was bij Michael P., de moordenaar van Anne Faber. Die had zich erover beklaagd dat de politie hem te hard had aangepakt bij diens arrestatie. Het OM zag geen heil in vervolging van leden van het arrestatieteam, maar het hof vindt dat de handelwijze van de politie nog maar eens onder de loep genomen moet worden.

In de zaak van cliënt ging het om zijn ex-werkgever. Cliënt had nog geld tegoed en kwam bij mij om zijn werkgever daarop aan te spreken. Ik ontdekte dat deze op de salarisstrook van cliënt pensioenpremie inhield, maar die nimmer aan het pensioenfonds afdroeg, zo leerde navraag bij dit fonds, waar de werkgever sinds 2011 stond ingeschreven. Bij cliënt, die anderhalf jaar werkzaam was bij deze werkgever, ging het om ongeveer € 1.500. Collega’s van cliënt ondergingen hetzelfde lot. Bij elkaar opgeteld levert dit al gauw tienduizenden euro’s op aan niet afgedragen pensioenpremies.

Ik adviseerde cliënt dan ook aangifte te doen bij de politie wegens verduistering. Zo simpel als het lijkt, was het in de praktijk geenszins. De politie, toch bekend verondersteld met het misdrijf “verduistering” dat is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, wilde cliënt onverrichterzake wegsturen, omdat het volgens haar slechts om een “civiele” zaak zou gaan. Interventie van de officier van justitie bleek nodig om de aangifte opgenomen te krijgen, die vervolgens prompt in een la verdween, omdat “een civiele aanpak zou prevaleren boven het strafrecht”. Een klacht bij de hoofdofficier van justitie mocht evenmin baten.

Dan maar naar het hof. Van het OM ontving het hof tegenstrijdige adviezen. De hoofdofficier was inmiddels om en wilde alsnog vervolgen, de advocaat-generaal zag er echter nog steeds niets in. Die constateerde dat de ex-werkgever inmiddels failliet was gegaan en dus niet langer kon frauderen met de pensioenpremies van zijn werknemers. Bovendien was de man, zo ontdekte de a-g, niet eerder in beeld geweest als fraudeur. Maar, oordeelde de a-g, zelfs als zou deze fraudeur worden vervolgd, zou dat de (ex-)werknemers niet kunnen baten.

Over dit laatste merk ik op, dat benadeelden zich kunnen voegen in een strafzaak en schadevergoeding kunnen eisen. Bij niet – tijdige – betaling door een alsdan veroordeelde fraudeur, schiet de Staat, overeenkomstig de schadevergoedingsmaatregel, vervolgens het toegewezen schadebedrag voor aan benadeelden. Wellicht dat hier de schoen wringt voor de aanklager.

Op zitting maakte de voorzitter van de beklagkamer zich ogenschijnlijk drukker over de vraag of een stagiaire van kantoor aanwezig mocht zijn bij deze besloten setting dan over de inhoud van de zaak. Dat bleek helaas ook uit de beschikking. De drie raadsheren oordeelden, dat de beslissing van het OM om niet te vervolgen “te billijken is”, nu cliënt “pas na afloop van zijn arbeidsperiode van anderhalf jaar aan de bel heeft getrokken”. Niet de fraudeur krijgt dus een tik op zijn vingers maar de aangever, omdat hij zijn sjoemelende baas klaarblijkelijk eerder had moeten aangeven.

Niettemin bood het hof nog een sprankje hoop in zijn overweging “ten overvloede”, ik citeer:  “staat het de officier van justitie in beginsel vrij”, alsnog tot vervolging over te gaan nu er nog “geen sepotmededeling aan beklaagde is gedaan”.

Een brief met die strekking is vervolgens naar het parket uitgegaan. Dat reageerde als volgt: “Gelet op de afwijzing en de daarin vervatte overwegingen is de zaak definitief geëindigd en zal het openbaar ministerie niet aan uw verzoek voldoen”. Misdaad loont dus!

Ruut Verhoeven